Naar de pagina-inhoud

Ruzies tussen broers en zussen: wat doe je eraan?


  • 5 tot 6 minuten
  • 1.002 woorden

Nu haar middelste dochter niet meer gedwee de grillen van haar grote zus ondergaat, knalt het bijna dagelijks bij Annemiek thuis. Ze vraagt zich af: Bestaat er zoiets als ‘goed’ ruzie maken tussen broers en zussen? En hoe kan je ze daarbij helpen?

Benader gedrag als lopen – de pagina uit de opvoedkalender van Eva Bronsveld staat al maanden prominent in beeld. Elk keer als ik de keuken inloop, zie ik die ene zin staan. Als herinnering dat alle gedrag een kwestie van oefenen is. Soms duurt het wat langer, soms is het zo gepiept, maar vroeg of laat krijg je het onder de knie. Het is mijn strohalm als ik weer met een tuut in mijn oren rondloop van het verbale geweld waarmee mijn twee oudste dochters elkaar bestoken.

Haar eigen ik

Mijn zesjarige dochter adoreert haar dominante, temperamentvolle, verbaal superieure, fantasierijke grote zus. Maar gedwee ja en amen zeggen op elke wens, die tijd is voorbij. Dus nu wil zij ook wel eens de koningin zijn in het spel, meepraten over hoe je een hut het beste kunt bouwen, de film op Netflix uitkiezen en de cd van Dirk Scheele in de auto opzetten (ook al weet ze donders goed dat haar zus een enorme afkeer heeft van die blije eikel-liedjes met tamelijk infantiele melodietjes en dito teksten). Ze is, kortom, een eigen ik aan het vormen, een persoon los van haar grote voorbeeld. De strijd om autonomie, de vurige wens om als volwaardig gezien te worden, betekent dat de kont regelmatig tegen de krib gaat. Helemaal goed en terecht en nodig, maar het betekent wel dat een relatief harmonieuze fase in ons bestaan nogal abrupt ten einde is.

De katten vluchten naar buiten, de dreumes zet het op een huilen en ik voel het chagrijn vanuit mijn grote teen naar boven kruipen

De zussen zijn beiden gezegend met een puike longinhoud en het bijbehorend decibelniveau waartegen het nationaal luchtalarm bleekjes bij afsteekt. Daarmee is elke woordenwisseling, akkefietje of gierende ruzie tussen die twee (8 en 6) al snel een aangelegenheid waar ons héle gezin last van heeft. De katten vluchten naar buiten, de dreumes zet het op een huilen en ik voel het chagrijn vanuit mijn grote teen naar boven kruipen. Niet zelden vindt het zijn weg naar buiten, via mijn mond. Op de goede momenten ben ik volledig neutraal in staat beider behoeften en bijbehorende emoties in kaart te brengen, maar vaker dan ik wil sta ik als scheidsrechter bevelen uit te delen over wie waarmee moet stoppen (en wel nu!).

Emotie in een bakje

Op rustige momenten praat ik één op één over hun ruzies, en waarom het soms in de heftigheid van het moment zo lastig is om een oplossing te vinden. We maken emotiesbakjes – vrij schaamteloos gekopieerd van de juf van onze oudste – waarin de meiden kunnen aangeven hoe ze zich voelen. Het idee erachter is even eenvoudig als briljant: Je maakt bakjes met verschillende emoties erop (beter is nog om dat samen met je kinderen te doen) en je maakt naamkaartjes die ze in het relevante bakje kunnen doen. Dit stimuleert kinderen na te denken over hun emoties, ze te benoemen en zo te herkennen. En andersom: Als je weet hoe iemand zich voelt, kan je iemands gedrag beter plaatsen en begrijpen. Dat de ander kribbig reageert, heeft dan ineens niet (per se) met jou te maken, maar komt omdat hij zich verdrietig voelt. En dan kun je bijvoorbeeld zeggen: “Je lijkt boos, heeft dat met mij te maken?”, in plaats van “Kijk niet zo boos naar me!”.

Tips voor ‘goede’ ruzies

Op de website van Laura Markham kwam ik, zoals wel vaker, nog meer mooie tips tegen die van ruziemaken ineens een goede ervaring (kunnen) maken:

  • Stel vragen over gevoelens, behoeften en keuzes: Hoe voelde je je toen? Wat wilde je toen je dat zei? Wat heb je gedaan? Heb je gekregen wat je wilde? Heeft je broer/zus gekregen wat hij/zij wilde? Zijn jullie dichterbij een oplossing gekomen? Wat hadden jullie anders kunnen aanpakken? Luister, oordeel niet. Als je kind zegt: “Volgende keer doe ik gewoon wat ik wil, ander sla ik hem gewoon!”, is het verleidelijk om in een tuttuttut-reactie te vervallen. Maar je kunt het ook benaderen met een beetje humor: “Goh, ik denk inderdaad dat je daarmee een héle verstandige keuze maakt”, of “Jahaa, laten we voortaan alles in dit gezin op die manier oplossen, goed plan!”. Vaak draait een kind dan wel bij, en kan daarna het echte gesprek beginnen.
  • Leg uit: Kies geen kant, wees geen scheidsrechter. Luister en leg uit hoe ze het anders kunnen doen. Ga zelf niet (mee)schreeuwen, maar zeg: “Ik wil dat we in dit huis naar elkaar luisteren en op een vriendelijke toon met elkaar praten”. Kortom, benader gedrag als lopen. Mijn dreumes leert lopen aan mijn hand, mijn grote meiden kan ik ook ondersteunen bij het leren van sociale vaardigheden.
  • Gebruik ‘ik-boodschappen’. Meestal reageert de middelste dochter met een variant van “Nou jij anders ook!” op de verwensingen van haar grote zus. Laatst hoorde ik haar tot mijn grote verrassing zeggen: ‘Ik word verdrietig als je zo tegen me praat”. De temperatuur zakte subiet, de angel was eruit, het spelen ging verder.
  • Leef voor: Je kunt als ouders onderling laten zien hoe het ook kan. Zeg: “Er is nog één banaan, zullen we die delen?”, of: “Ik was nog aan het praten, ik vind het fijn als ik het even kan afronden. Daarna hoor ik graag wat jij te zeggen hebt”. Geef je partner een glimlach en een knuffel in plaats van een sneer of dodelijke blik.

 


Annemiek Verbeek
Vindt van alles over van alles, maar schrijft als freelance journalist vooral over opvoeding, onderwijs en (geboorte)zorg. Probeert her en der ook wat in de praktijk te brengen op/met twee schoolgaande dochters van 10 en bijna 8 en een heerlijke peuter van 3.